Sneeuw
is een natuurverschijnsel dat bij velen sterk tot de verbeelding
spreekt, maar in Nederland helaas betrekkelijk zeldzaam is. Vooral de
laatste ruim tien jaren waren bijzonder arm aan sneeuw. Bovendien
blijft de sneeuw vaak niet lang liggen - als het al tot een sneeuwdek
komt. Oorzaak is uiteraard de betrekkelijk milde winters die we in
Nederland kennen, mede veroorzaakt door de ligging aan de oostkant van
de Noordzee, zodat we in Nederland vaak een aanlandige wind hebben, die
vanuit (zuid)westelijke richting ook in de winter als regel relatief
zachte lucht aanvoert. Bovendien kennen we in Nederland geen bergen of
hoge heuvels.
Met het toenemen van de hoogte neemt het aantal sneeuwdekdagen vanaf
circa 200 meter met ruim tien per honderd meter toe. Moeten we het in
de sneeuwrijkste gebieden in Nederland - de gebieden langs de oostgrens
en in Limburg - doen met ruim 30 sneeuwdagen per jaar, op de toppen van
deArdennen (zie links), tot maxmaal 700 meter hoog,
kan men gemiddeld rekenen op 60 tot 70 sneeuwdagen per jaar. Boven de
2000 meter hoogte kan het in de Alpen het gehele jaar door sneeuwen(in
uitzonderlijke gevallen in de zomer tot 1200 meter!). In
Noord-Scandinavië kan het op laaglandniveau sneeuwen van begin
september tot begin juni.
Zeer veel sneeuw en ook veel sneeuwstormen
(blizzards, zie onder) komen
voor in de Verenigde Staten. Tijdens vrijwel elke winter komen er wel
een paar voor. Deze brengen soms vele tientallen centimeters sneeuw in
een dag.
Hoe ontstaat sneeuw?
Alle
neerslag begint als sneeuw, behalve de zo karakteristieke motregen die
bij temperaturen boven nul lager in de atmosfeer tijdens stabiele
situaties ontstaat. Zodra waterdamp condenseert, ontstaan wolken.
Ontwikkelen wolken zich tot op grote hoogte, bijvoorbeeld in de vorm
van oprijzende buienwolken of bijvoorbeeld door opglijdingsprocessen
langs een frontvlak, dan kunnen de minuscule waterdruppeltjes - zodra
de luchttemperatuur onder nul komt - temperaturen krijgen van beneden
het vriespunt. In eerste instantie zien we dan onderkoelde
waterdruppeltjes. Zodra de temperatuur tot beneden de circa -12 graden
is gezakt (dit noemen we het ijskiemniveau) begint het
bevriezingsproces en vormen zich kleine ijskristalletjes.
Uit de onderkoelde waterdruppeltjes komt door een dampdrukverschil
tussen ijs en water een transport van waterdamp op gang die zich
vervolgens op de ijskristalletjes afzet waardoor als het ware zeer
kleine sneeuwvlokjes kunnen ontstaan. Bij zeer lage temperaturen is er
overigens weinig sprake van aangroei van sneeuwvlokken. Het beste
verloopt dit proces bij waarden van -10 tot -15 graden.
Tijdens een weertype met buien zien we aan de bovenzijde van de
buienwolk vaak een soort aambeeld. Dit bestaat geheel uit kleine
sneeuwkristallen bij een temperatuur van 20 tot grofweg 50 graden onder
nul, afhankelijk van het seizoen en de hoogte van de wolk. Zodra de
sneeuwkristallen gaan vallen (een overigens zeer traag proces), kunnen
ze gaan aangroeien en aan elkaar vast gaan zitten. Dit proces gaat het
snelst bij temperaturen van rond het vriespunt. Vorming van echte
sneeuwvlokken begint ongeveer bij -6 graden. Bij strenge winterkou zien
we bij neerslag vaak slechts enkelvoudige ijskristallen of ijsnaaldjes.
Dit noemen we poolsneeuw. Dit verschijnsel komt tijdens strenge winters
soms ook wel in Nederland voor. De grootste sneeuwvlokken zien we
veelal tijdens een weertype met sneeuwbuien bij temperaturen rond het
vriespunt.
De
neerslaghoeveelheid in de vorm van sneeuw is vrij eenvoudig te meten.
Uiteraard kan dit door de sneeuw te smelten, maar een goede vuistregel
is dat een mm neerslag in vloeibare vorm overeenkomt met een centimeter
vers gevallen sneeuw. Valt de sneeuw bij temperaturen ver onder nul dan
is de sneeuw luchtiger van structuur en is het sneeuwdek dus dikker bij
dezelfde hoeveelheid neerslag. Officieel is er sprake van een
sneeuwdekdag wanneer minimaal de helft van de omgeving van de
waarneemplaats bedekt is met minimaal 1 cm sneeuw. Een representatieve
sneeuwdekdag is een dag waarop gedurende tenminste 3 uur achtereen
sneeuw ligt. Sneeuwduinen zijn vaak zeer compact van structuur en wel
vaak dusdanig dat men er soms wel over kan lopen. Verder kunnen ze soms
de meest bizarre
vormen (zie rechts) aannemen.
Sneeuwduinen ontstaan alleen tijdens harde wind bij sneeuwval of
versgevallen sneeuw bij temperaturen onder nul.
Zodra de temperatuur van de lucht boven nul komt, hoeft de sneeuw nog
niet meteen te gaan smelten. Zodra de zogenoemde natteboltemperatuur
(zie vraagbaak) maar
beneden nul blijft, blijft de sneeuwvlok in stand. Waarom?
De natteboltemperatuur is de temperatuur die de kwikbol van de
thermometer zal aannemen, als deze is voorzien van een nat lapje.
Datzelfde gebeurt met de sneeuwvlok. Deze natteboltemperatuur is bij
extreem vochtige lucht gelijk aan de gewone temperatuur en wordt(bij
gelijkblijvende temperatuur) steeds lager naarmate de luchtvochtigheid
lager wordt. Zodra de sneeuwvlok begint te smelten en dus ook uit
gewoon water bestaat, spreken we van natte of smeltende sneeuw. Hieruit
kunnen we concluderen dat als sneeuw door een relatief droge luchtsoort
valt, de neerslag tot wel 6 á 7 graden boven nul als (natte) sneeuw kan
vallen. Dit zien we vaak in het voorjaar als vanuit het noorden droge
arctische lucht (met een lage natteboltemperatuur) wordt aangevoerd.
Dit is tevens de verklaring voor het door veel sneeuwliefhebbers gehate
verschijnsel.
Vlak voor een bui is het zo'n 5 graden boven nul. De bui arriveert en -
inderdaad - de eerste sneeuwvlokken beginnen te vallen. De temperatuur
begint langzaam de dalen, dus "kat in het bakkie", denkt de
sneeuwliefhebber. Tot grote teleurstelling daalt de temperatuur tot
pakweg 3 graden, waarna de sneeuw weer overgaat in regen. Verklaring:
Dankzij vooral het vallen van de neerslag wordt de lucht onderin de bui
vochtiger, de natteboltemperatuur komt boven nul, de vallende sneeuw
begint te smelten en gaat vervolgens over in regen! Pas als het flink
doorregent, kan de lucht uiteindelijk (door gedeeltelijke verdamping
van de neerslag) zo ver afkoelen dat de regen alsnog opnieuw overgaat
in sneeuw. Dit zien we vooral tijdens de passage van fronten, waarbij
lange tijd achtereen neerslag valt. Een bui duurt daarvoor als regel te
kort. Een grove vuistregel is dat er bij 6 graden boven nul bij
buiensituaties nog sprake kan zijn van sneeuw en bij 2 of 3 graden
boven nul tijdens de passage van fronten. Bij temperaturen boven nul
spreekt men zoals eerder genoemd, van natte sneeuw.
Overigens geeft een temperatuur van 2 of zelfs 0 graden tijdens
frontpassages geen garantie op sneeuw. Veel hangt namelijk af van wat
de temperatuur van de bovenlucht is. Vooral voorafgaand aan
dooiaanvallen kan zachtere lucht op enige hoogte al ver voor het
grondfront uit snellen, zodat het bijvoorbeeld op 1000 meter hoogte al
dooit, terwijl het aan en nabij de grond nog stevig vriest.
Regendruppels bereiken dan de grond, omdat ze tijdens het vallen door
de koude luchtlaag nabij de grond onderkoeld zijn geraakt en bevriezen
meteen zodra een voorwerp geraakt wordt. Men spreekt nu van ijzel.
Eenmaal gesmolten sneeuw in de bovenlucht wordt dus niet opnieuw
sneeuw. Overigens spreekt men ook van ijzel als er "gewone" regen valt,
die op een bevroren ondergrond bevriest. Kortom: de natteboltemperatuur
en de temperatuur van hogere luchtlagen spelen een belangrijke rol bij
de vraag of het wel of niet zal gaan sneeuwen.
Gemiddeld doet een flinke sneeuwvlok er tijdens zijn val ongeveer 300
meter over om geheel te smelten. Dat hagel wel in de zomer voorkomt,
houdt natuurlijk verband met de grote valsnelheid van hagel en soms ook
de omvang van de hagelkorels. Onderaan winterse buienwolken kunnen we
dat mooi zien. Kijken we langs de onderrand van een buienwolk, zien we
een min of meer horzontale lijn, die we een smeltlijn noemen.
Regelmatig zien we onder de buienwolk over kortere afstand een soort
gordijn naar beneden hangen, soms zelfs op meerdere plaatsen. Daar zal
het niet sneeuwen, maar hagelen. Waar het zicht goed blijft, is en
blijft dit regen en zien we een egale donkere, grijswitte massa op ons
afkomen(vooral als je de zon achter je hebt), kunnen we binnen de korte
tijd in de sneeuw zitten.
Als je goed kijkt, kun je soms bij temperaturen van enkele graden boven
nul de sneeuw op enkele honderden meters boven je hoofd zien jagen. Het
is dan zaak om op de thermometer te letten, zeker als de temperatuur
blijft dalen. Vaak is dit een teken dat de regen uiteindelijk in sneeuw
zal overgaan.
Een indicatie geeft ook de temperatuur op het 850hPa-vlak, dat zich
gemiddeld op bijna 1500 meter hoogte bevindt. Tijdens onstabiele
situaties (met een vertaicale temperatuurgradiënt van 1 graad per 100
meter) moet op dit niveau de temperatuur van de lucht circa -10 graden
zijn, wil er een gerede kans op sneeuwbuien zijn. Aan de grond is de
temperatuur dan +5 graden of lager. Op 3000 meter hoogte wordt dan
gewoonlijk een temperatuur van circa -20 graden gemeten. Tijdens
frontale sneeuwsituaties worden op het 850 hPa-vlak gewoonlijk
temperaturen van -5 tot -8 graden gemeten. Toch moet bedacht worden dat
dit vuistregels zijn. De opbouw van de atmosfeer kan qua temperatuur
afwijken, terwijl de luchtvochtigheid op de diverse hoogteniveau's
vooral bij buien een belangrijke rol speelt. Een zogeheten warmtetong,
voorafgaand aan een warmtefront kan de temperatuur op bovengenoemd vlak
tot aan het vriespunt brengen, terwijl er toch sneeuw kan vallen.
Intensieve neerslag kan de middelbare en onderste luchtlagen doen
afkoelen.
Waar zit ik in Nederland voor sneeuw het beste?
Globaal genomen in het noordoosten en oosten van het land, in
Friesland, de kop van Noord-Holland, en Zuid-Limburg. Ook op de Veluwe
valt wat vaker sneeuw dan bij voorbeeld in Utrecht of de Betuwe.
Oorzaak is niet alleen het geringe hoogteverschil, maar ook het
bosachtige karakter en de zandgrond. In de winter vormt zich in dit
gebied gewoonlijk een klein koudereservoir - net genoeg om voor een
paar extra sneeuwdagen te zorgen! Nabij de westkust zien we regelmatig
sneeuwbuien, maar deze sneeuw blijft gewoonlijk maar kort liggen.
Echter - in het geval van een noordwestelijke of noordelijke aanvoer
van onstabiele lucht, kunnen met name in Friesland, Groningen en de Kop
van Noord-Holland en op de Wadden grote hoeveelheden sneeuw vallen. U
ziet een Vinex-tuintje bedolven
onder een dik pak sneeuw.
Boven
de Wadden treedt overigens soms een ander verschijnsel op. Tijdens een
periode met aanvoer van zeer koude lucht vanuit het oostnoordoosten
strijkt de vrieslucht over de Noordzee en wordt dan onstabiel.
Voortdurende vorming van buien leveren dan boven de Wadden niet zelden
een enorm sneeuwdek op, waarbij soms meer dan een halve meter sneeuw
valt. Op Vlieland, Terschelling en Ameland zijn op deze wijze wel eens
sneeuwhoogten tot een meter waargenomen. Tijdens dergelijke
weersomstandigheden vallen er in Oost-Engeland vaak enorme hoeveelheden
sneeuw, die daar dan ernstige overlast veroorzaakt.
Een zeldzamere situatie, maar die des te mooier is, is als in de winter
een lagedrukgebied precies over ons land of België naar het oosten
trekt. Bij ons draait dan de wind naar het oosten, zodat op de nadering
van het lagedrukgebied nog wat koude lucht vanuit Midden-Europa wordt
aangevoerd. Ten zuiden van het lagedrukgebied valt dan de dooi in,
terwijl in het noorden een oostelijke vrieswind kan razen, waarbij
sprake kan zijn van een echte sneeuwstorm.
Trekt een depressiekern - zoals meestal het geval is - ten noorden van
ons land langs, draait de wind in eerste instantie weliswaar naar zuid,
waarbij wat verder in de winter koude lucht vanuit Frankrijk wordt
aangevoerd, maar meestal al vrij snel valt de dooi in en draait de wind
na de frontpassage naar het (zuid)westen. Bij een zwakkere weststroming
en een krachtig hogedrukgebied boven Midden- en Oost-Europa wil zo'n
dooifront(warmtefront of occlusie) nog wel eens stagneren, waarbij dan
vooral in het binnenland soms langdurg sneeuw kan vallen, terwijl het
nabij de westkust regent. Zeker wanneer zo'n warmtefront, vaak door het
koufront ingehaald en alsdus getransformeerd tot een occlusie, heel
traag overtrekt, kan alle neerslag overgaan in sneeuw. Het moment,
waarop tijdens het overtrekken van een front, de neerslag overgaat van
regen in sneeuw is bijzonder moeilijk in te schatten, omdat dat moment
meestal zeer kritisch is.
Tevens is het tijdstip van passage van het front van belang, met andere
woorden: tot hoe ver koelt het af voorafgaand aan de frontpassage?
Vandaar dat dan in de KNMI- en andere weersverwachtingen vaak wordt
aangegeven:
"Vanuit het westen regen, (in het binnenland) mogelijk voorafgegaan
door (natte) sneeuw." Is de bodemtemperatuur onder nul, wordt vaak ook
een ijzelverwachting gegeven omdat ijzel ernstige risico's voor het
verkeer inhoudt. Een zeer geringe hoeveelheid ijzel, die bovendien
moeilijk te zien is, kan een weg al spiegelglad maken!
Als een lagedrukgebied, dat een dooiaanval in petto heeft, ons vanuit
het noordwesten nadert, levert dit ook zelden sneeuw op. Weerkundigen
spreken dan van een "dooi om de noord". Het weerbeeld is dan gewoonlijk
ijzel en regen in de noordwestelijke helft van het land en sneeuw in
Limburg. Voornamelijk tijdens strenge winters leveren dit soort
lagedrukgebieden ook in het noordwesten van het land sneeuw op.
Overigens kan zo'n situatie wel veel sneeuw in Limburg tot gevolg
hebben. Regelmatig stagneert en activeert een front tegen of boven de
Ardennen en treedt als gevolg van orografische effecten (gedwongen
opstijging van de lucht) extra neerslagvorming op.
Tot slot een vorm van sneeuwval dat geheel aan menselijke invloeden te
wijten is. Aan de lijzijde van grote industriecentra of
electriciteitscentrales, maar ook nabij drukke vliegvelden als Schiphol
kan soms uit laaghangende (stratus)bewolking bij temperaturen van iets
onder het vriespunt motsneeuw vallen, waarbij soms bijna een centimeter
sneeuw valt in een gebied van hooguit enkele kilometers. Ook kan mist
uitsneeuwen. De oorzaak moet gezocht worden in een overmaat aan
condensatiekernen, luchtvervuiling, zoutachtige deeltjes en stof,
waardoor mist- en wolkendruppeltjes vanuit onderkoelde toestand
bevriezen bij een veel hogere temperatuur dan de gebruikelijke -12
graden.
Enkele korte beschrijvingen van interessante historische
sneeuwsituaties.
Opvallend: Oudere mensen zeggen vaak dat de winters vroeger strenger
waren en dat er meer sneeuw viel. Nemen we de laatste tien jaar in
ogenschouw, dan hebben die mensen gelijk, maar toen ik tien of vijftien
jaar geleden lezingen gaf voor oudere mensen, zei men dit ook. Bewezen
is dat ingrijpende weersituaties veel beter in het geheugen van mensen
blijven hangen, waardoor ten onrechte de indruk wordt gewekt dat het
weer vroeger extremer was. Bovendien hadden extreme weersomstandigheden
vroeger veel ernstigere gevolgen dan tegenwoordig. Er was minder
comfort, de wegen waren minder goed, er werd minder geveegd en
gestrooid, enzovoorts, enzovoorts. Veel volwassenen van nu denken nog
altijd dat de winter van 1962/63, die zij als kleine kinderen
meemaakten, wel vier maanden onafgebroken sneeuw had gebracht. In
werkelijkheid lag er een sneeuwdek van 26 december tot en met 5 maart -
overigens nog altijd de langst aaneengesloten periode (71 dagen!) met
een sneeuwdek in Nederland.
Winters met meer dan 50 sneeuwdekdagen waren die van 1939, 1942, 1963,
1970 en 1979. 
Een bijzondere sneeuwwinter was die van 1978/79. Niet alleen bracht
deze winter enkele onvervalste sneeuwstormen, waarbij op 14 februari
zelfs het verkeer in het gehele gebied benoorden de lijn Leiden Zwolle
min of meer werd lamgelegd. Rond de jaarwisseling viel vooral in het
noorden veel sneeuw, waarbij vanuit Duitsland met stormachtige winden
veel stuifsneeuw
(zie rechts) Groningen
binnen stoof, waarbij zch soms sneeuwduinen vormden tot zes meter
hoogte. Depressies trokken gedurende deze winter vrijwel steeds min of
meer over ons land. Kortdurende dooisituaties leverden regelmatig
overlast door ijzel op.
In de oorlogswinter van 1942 lag in Nederland op veel plaatsen enige
tijd ongeveer 50 cm sneeuw. Zo'n sneeuwdek komt gemiddeld slechts
eenmaal per 50 jaar voor.
De op een na koudste winter van de 20e eeuw, die van 1946/47 bracht
niet buitensporig veel sneeuw. Het aantal sneeuwdekdagen bedroeg 43 -
veel maar lang geen record!
Op 8 februari 1966 waren er zeer grote verschillen in ons land, toen -
zoals de toenmalige TV-weerman Joop Den Tonkelaar zo plastisch
verwoordde: "Een lagedrukgebied trok via Amsterdam en nam het pontje
van Spakenburg, om vervolgens via Ughelen, boems - de grens over de
trekken!" Er was die dag in het noorden van het land sprake van een
zware sneeuwjacht. In een smalle overgangszone viel ijzel, terwijl het
in in het midden en zuiden van het land letterlijk warm water regende
bij temperaturen van ruim 10 graden boven nul! Uiteindelijk viel de
volgende dag overal de vorst in, helaas zonder sneeuw in het midden en
zuiden.
De vroegste datum met een sneeuwdek was 13 november 1975 en de laatste
4 mei 1979. In die week in 1979 kwam het trouwens herhaaldelijk tot
sneeuw, waarbij op de 2e zelfs sneeuwduintjes werden gevormd!
Vroege, zware sneeuwval kwam op 4 november 1980 voor, met name rond
Amsterdam, waar 15 tot 20 cm sneeuw viel. Late extreme sneeuwval kwam
voor op 11 april 1978, waarbij in de westelijke kustprovincies 10 tot
plaatselijk 20 cm sneeuw viel. Het duurde dagen voordat alle sneeuw was
verdwenen.
Veel sneeuw bracht ook december 1981. Er vielen talrijke sneeuwbuien.
De sneeuw bleef liggen tot net na de jaarwisseling. Er was sprake van
een witte Kerst, ondanks dat het op 1e Kerstdag wat dooide en regende.
Grote verschillen komen soms ook voor. Op 7 januari 1982 veroorzaakte
een zogeheten koude put zeer zware sneeuwbuien op Texel, Vlieland,
Terschelling, het westen van Friesland en de kop van Noord-Holland. Op
Vlieland viel bijna een meter sneeuw. In Amsterdam vielen slechts
enkele vlokken en in het centraal station zagen de mensen stomverbaasd
de zwaar besneeuwde treinen vanuit Enkhuizen en Den Helder binnen komen.
Op 22 en 23 januari 1984 brachten twee opeenvolgende depressies, die
pal over Nederland trokken, zware sneeuwval in grote delen van het land
met in het gebied tussen Beverwijk en Amsterdam de meeste sneeuw. Daar
viel 20 tot 30 cm.
De winter van 1984/85 bracht vooral veel sneeuw in januari, waarbij op
6 januari sprake was van een sneeuwstorm. Begin februari, op de 8e trok
een depressie langs onze zuidgrens naar het oosten en veroorzaakte ten
zuiden van de lijn Leiden-Arnhem zware sneeuwval, waarbij in
Noord-Brabant op veel plaatsen tot 15 cm sneeuw viel. In Limburg
ijzelde het tijdelijk, maar de vlokken reikten tot net benoorden
Amsterdam. Carnaval werd enkele dagen later tijdens bittere koude boven
een dik sneeuwdek gevierd.
Eerder in dit artikel word de soms hevige sneeuwval op de Wadden
genoemd. Op de dagen rond 10 januari 1987 ontstonden boven de Duitse
Bocht zware sneeuwbuien, die ook de noordelijke Wadden aandeden. Op
Terschelling viel tot 80 cm sneeuw. In januari 1985 was het daar
trouwens ook al raak met vergelijkbare hoeveelheden sneeuw, eveneens
uit buien.
In februari 1991 hadden we te maken met een vorstperiode die twee weken
duurde, waarbij vrij veel sneeuw viel als gevolg van het overtrekken
van diverse storingen, samenhagend met een koude put. Op de 15e kwam
een einde aan de kou. Het weersverloop was wat merkwaardig. Flinke
sneeuwval werd in de verwachtingen genoemd, maar tot laat in de nacht
bleef de temperatuur boven nul, terwijl het daags tevoren zelfs
geregend had. Menigeen dacht dan ook dat de verwache dooiaanval wel met
regen gepaard zou gaan. Maar de sneeuw kwam wel degelijk. In grote
delen van het noorden en midden van het land viel meer dan 10 cm
sneeuw, waarna de dooi aarzelend op gang kwam.
Bij boven- en onderstaande overzichten moet worden vermeld dat jaren
uit de eerste decennia van de 20e eeuw niet bij de topposities
voorkomen. Dit blijkt ook uit andere bronnen. Mogelijk speelt een
minder dicht of een kwalitatief minder goed waarnemingsnet een rol.
|
Jaren met de meeste sneeuw- en
sneeuwdekdagen(De Bilt)
|
| Winter |
Sneeuw |
nov t/m mei |
Sneeuwdek |
Totale
periode |
Max. dagen in maand |
| 1962/63 |
37 |
50 |
71 |
26-12 t/m 05-03 |
jan(31), feb(28) |
| 1969/70 |
36 |
52 |
53 |
25-11 t/m 08-04 |
dec(19) |
| 1978/79 |
35 |
45 |
52 |
27-11 t/m 02-05 |
jan(31) |
| 1954/55 |
35 |
45 |
39 |
12-01 t/m 20-03 |
feb(19) |
De magie van de witte Kerst
Een van de meest geliefde weersituaties is een witte Kerst.
Jammergenoeg komt dit verschijnsel in Nederland niet veel voor en al
helemaal niet landelijk. Pas dan wordt het als een echte witte Kerst in
de boeken weggeschreven.
Een geheel of gedeeltelijke Witte Kerst kwam voor in 1903, 1906, 1917,
1919 (26e), 1923, 1930 (26e), 1935 (25e), 1938, 1940, 1941 (26e), 1944,
1950, 1962 (26e), 1963 (26e), 1964, 1968 (26e), 1981, 1986 (alleen in
het oosten), 1995 (zeer plaatselijk), 1996 (alleen in het noordoosten
en in het Gooi).
Het jaar 1938 bracht waarschijnlijk de mooiste witte Kerstdagen van de
eeuw. Boven een dik pak sneeuw en bij volop zon vroor het 5 tot 15
graden. Een wel heel sprookjesachtige was de Kerst van 1964. Tamelijk
onverwachts brachten zware sneeuwbuien tijdens de kerstnacht een pak
sneeuw. De bezoekers aan de kerstnachtmissen werden bij het verlaten
van de kerk getrakteerd op een sneeuwtapijt. Dit was overigens de derde
witte Kerst op rij. De witte Kerst van 1963 was er een op het
nippertje. Op de 26e draaide de wind naar het noordwesten, waardoor
sneeuwbuien ons land binnendreven. Spectaculair was het weer op Eerste
Kerstdag van 1986. In alle vroegte trok een regengebied ons land
binnen. Ten oosten van ongeveer de lijn Leeuwarden - Hilversum - Breda
ging de regen over in sneeuw, waardoor er in het oosten en deels het
midden van het land 10 tot 15 cm sneeuw viel.