BUIEN
Buien
behoren tot de meest indrukwekkende weersverschijnselen die er bestaan.
Dit komt omdat niet alleen de buienwolken op zich vaak al indrukwekkend
kunnen zijn, maar ook gaan buien niet zelden gepaard met heftige
weersverschijnselen. We denken hierbij niet alleen aan matige of zware
neerslag in de vorm van bijv. regen of sneeuw, maar ook aan hagel,
onweer en windstoten. Soms komen nabij buien ook windhozen of zelfs
tornado's voor. In dit artikel zullen we enkele geheimen van buien
blootleggen.
Voor
het ontstaan van buien moet de atmosfeer ter plekke aan een aantal
voorwaarden voldoen. De belangrijkste zijn onstabiliteit en voldoende
water(damp) dus vocht. Een onstabiele atmosfeer zal een flink
temperatuurverval met het toenemen van de hoogte laten zien. Zolang
lucht nog onverzadigd is zal bij het spontaan of gedwongen opstijgen
van de (warmere) lucht deze met 1 graad per 100 meter afkoelen. We
noemen dit in vakjargon droogadiabatisch afkoelen. Bij een adiabtisch
proces gaan we er vanuit dat er geen energieuitwisseling met de
omgeving plaatsvindt. Normaal gesproken wordt het per 100 meter
stijging gemiddeld 0,6 graden kouder. Zodra de waterdamp in de lucht
gaat condenseren, spreken we van natte of vochtige lucht en zal door de
vrijgekomen warmte tijdens condensatie de afkoeling afgeremd worden en
daalt de temperatuur tussen 0,3 en 0,5 graden per 100 meter. Daalt de
temperatuur nog minder snel of stijgt deze zelfs, dan spreekt men van
stabiele lucht. Is het verval tussen de 0,6 en 0.9 graden dan noemen we
dit voorwaardelijk onstabiel. Dit laatste is ideaal voor de vorming van
buien.
Foto: Geisoleerde winterse bui, met een
duidelijk verijsde top.
Wat
we zien, is namelijk het volgende: is de lucht aan het aardoppervlak
warm, en/of is de lucht hoger in de atmosfeer kouder geworden, dan zal
een willekeurig pakketje lucht kunnen opstijgen, zolang het warmer
blijft dan haar omgeving totdat het niet verder meer kan stijgen. Het
best lukt dit dus in onstabiele lucht. In eerste instantie zien we daar
als waarnemer niets van. Dat komt omdat de opstijgende lucht in eerste
instantie niet verzadigd is. Deze onverzadigde lucht koelt af maar
blijft - als het blijft stijgen - warmer dan de omgeving (vergelijk dat
met een heteluchtballon: zolang de ballonvaarder zorgt dat de lucht in
de ballon warmer blijft dan de omringende lucht, wint de ballon
hoogte). De opstijgende lucht koelt af, maar de hoeveelheid vocht in
het pakketje lucht neemt niet af. Echter, koudere lucht kan minder
vocht kan bevatten dan warmere lucht. Zodoende bereikt het pakketje
lucht op een gegeven moment haar maximale hoeveelheid waterdamp en
raakt verzadigd (relatieve vochtigheid is dan 100%). Zodra dat het
geval is, begint het ontstaan van de karakteristieke stapelwolken, die
we wel cumulus (meervoud: cumuli) noemen. Het niveau waarop cumulus
ontstaat is vaak scherp begrensd, vandaar dat de onderkant van een
cumuluswolk veelal vlak is. Dankzij het opstijgen krijgt de wolk haar
karakteristieke bloemkoolvorm. In een verder stadium kan zo'n
cumuluswolk tot een buienwolk (cumulonimbus) uitgroeien.
We
zijn er echter nog niet. Bevat de lucht vlak boven de aarde maar heel
weinig vocht, dan zal het pas op zeer grote hoogte eventueel tot
wolkenvorming komen en kan buienvorming zelfs achterwege blijven. We
zien dit bijvoorbeeld boven woestijngebieden, waar de lucht gewoonlijk
extreem droog is, maar er wel degelijk een groot verschil is tussen de
temperatuur aan de grond en die in de hogere luchtlagen. Conclusie: we
moeten naast onstabiliteit ook genoeg vocht in de lucht hebben.
De
atmosfeer (we spreken hier verder van de troposfeer - de onderste laag
van de atmosfeer, waar het weer zich afspeelt) is lang niet altijd tot
op grote hoogte onstabiel. De troposfeer wordt aan de bovenzijde
begrensd door de tropopauze. Deze bevindt zich nabij de polen op circa
8 km hoogte en nabij de equator op circa 16 km hoogte. Boven de
tropopauze is de atmosfeer tijdelijk isotherm, dat wilt zeggen dat de
temperatuur met de hoogte (vrijwel) gelijk blijft. Buien zullen
daarboven daarom maar zelden boven het niveau van de tropopauze uit
kunnen groeien. Alleen in het geval van zeer zware buien kunnen de
buienwolken een stukje door de tropopauze heen breken. Vaak is de lucht
alleen tot zekere hoogte onstabiel, bijvoorbeeld tot een hoogte van
rond de 5 km. Een bui zal dan ook niet erg hoog reiken. In de
winterperiode kan dat evengoed nog flinke buien opleveren. Zelfs
korrelhagel en onweer kan dan met wolkentoppen van 15.000 tot 20.000
voet optreden.
Foto: Al snel komt een forse bui opzetten, valstrepen
verraden hagel.
We
kunnen overigens uitrekenen op welke hoogte de wolkenvorming gaat
plaatsvinden. Dit doen we met behulp van de temperatuur en de
dauwpuntstemperatuur. Als lucht door verschil in temperatuur opstijgt,
noemen we dit convectie. We zagen al dat de hoeveelheid vocht in een
bepaald pakketje lucht tijdens het opstijgen gelijk blijft. Het
pakketje lucht zet echter uit, omdat de luchtdruk hoger in de atmosfeer
afneemt. De dampdruk, en ook het dauwpunt neemt af. Theoretisch is af
te leiden dat de dauwpuntstemperatuur van een opstijgend pakketje lucht
0,2 graden per 100 meter afneemt. De temperatuur en het dauwpunt komen
dus elke 125 meter stijging een graad dichter bij elkaar. Bij een
temperatuur van 8 graden en een dauwpunt van 3 graden zal de lucht op
625 meter hoogte dus verzadigd raken en zal de vorming van convectieve
cumulusbewolking op gang gaan komen. Op 625 meter ligt dus de basis van
de cumulus. De formule luidt: (T-Td) * 125 (in meters) of T-Td * 400
(in voeten).
Bij
condensatie van de waterdamp in de lucht komt zoals gezegd warmte vrij.
Hierdoor zal de lucht tijdens het opstijgingsproces niet meer zo snel
afkoelen, als dat ze droogadiabatisch deed. Verzadigde lucht maakt een
nat-adiabatisch proces door; de temperatuur daalt met 0,3 tot 0,5 graad
per 100 meter. Zo lang de bovenkant van de wolk dus warmer blijft dan
de omringende lucht zal de wolk blijven doorgroeien. Hoe ver dat proces
doorgaat, kunnen we zien aan de zogenaamde toestandskromme, die we
vinden in het zogeheten temp-diagram.
In dit diagram zien we hoe het verloop van de temperatuur en het
dauwpunt van de lucht boven een bepaalde plaats is, zodat hieruit de
luchtvochtigheid maar ook eventuele inversies kunnen worden opgespoord.
Verder zien we ook de hoogte van de tropopauze en ook gegevens over de
wind terug. Zodra op een zeker niveau een inversie of een andere
stabiele luchtlaag wordt bereikt, zal het groeien van de wolk stoppen.
De top van de wolk zal zich dan gaan uitspreiden en bij grote
buienwolken zien we dit vaak in de vorm van een aambeeld. Vaak komt het
niet zo ver en zeker als de atmosfeer stabiliseert, zoals bijvoorbeeld
tijdens de onwikkeling van een hogedrukgebied of een rug van hoge
luchtdruk, zien we slechts schapewolken of cumuluswolken, die op
gegeven moment afvlakken en zelfs lensvormig kunnen worden. Zien we de
cumuluswolken echter in een hoog tempo optorenen, dan is de kans op
vorming van buienwolken groot. We zien dit in weerberichten wel
aangegeven worden met "towering cumulus", of cumulus congestus. Op de
foto hierboven zien we een kleine bui, gezien vanuit een trein.
Een flinke cumuluswolk op zich zal, ondanks de als gevolg van
schaduwwerking soms indrukwekkend donkere kleur,
geen
neerslag produceren. Dit gebeurt pas zodra de top van de wolk een
zekere temperatuur heeft bereikt, dus voldoende is door gestegen. Zodra
de wolk geheel of gedeeltelijk tot onder het vriespunt is afgekoeld,
zal er nog maar weinig neerslagvorming kunnenoptreden.
De wolk is dan in de top onderkoeld. Is de temperatuur gedaald tot
circa -12 graden, dan begint zich meestal het eerste ijs te vormen. We
noemen dit het ijskiemniveau. Het is niet zo dat er neerslag ontstaat
door samenvoeging van zeer kleine wolkendruppeltjes. Bevat de wolk ijs,
dan zal het neerslagproces makkelijker op gang komen door het feit dat
tussen ijs en onderkoeld water een wezenlijk verschil in dampdruk
heerst. Ook industrievuil in de wolk kan de neerslagvorming bevorderen,
als gevolg van wateraantrekkende (hygroscopsiche) eigenschappen.
Foto: Als de zon onder de bui door schijnt en er valt
regen, levert dat niet zelden de aanblik van een regenboog op.
Deze
twee meteorologen hebben de neerslagtheorie ontwikkeld. IJswolken en
waterwolken produceren afzonderlijk weinig neerslag. Neerslag ontstaat
voornamelijk in zogeheten gemengde wolken, die uit ijs en (onderkoeld)
water bestaan. De temperatuur van de gemengde zone ligt vaak tussen de
-10 en -20 graden. Beneden de circa -23 graden zullen er in de wolk
overigens meestal alleen maar ijskristallen voorkomen.
Het proces berust op het feit dat de maximale dampdruk boven onderkoeld
water groter is dan die boven ijs. Hierdoor zal een waterdamptransport
plaatsvinden van de druppels naar ijskristallen, zodat deze laatste
zullen aangroeien. Het verschil in dampdruk is maximaal bij een
temperatuur van -13 graden, zodat bij die temperatuur het zogeheten
Wegener-Bergeron proces het snelst gaat. De ijskristallen worden groter
en zullen op hun weg naar beneden steeds meer onderkoelde druppels gaan
invangen en steeds sneller groeien. Het gewicht wordt groter zodat ook
de samengeklonterde ijs- en waterelementen (sneeuw) langzaam zullen
gaan vallen. Dit kan enorm snel gaan. Een onschuldige cumuluswolk kan
in een kwartier tijd tot een flinke bui zijn uitgegroeid, zodra de top
is verijsd. We zien het aan de grond aan het feit dat de wolkentop een
vezelstructuur gaat aannemen, die binnen korte tijd tot een aambeeld
kan uitgroeien.
Wanneer de elementen zwaar genoeg zijn, zal de
neerslag gaan vallen. Dat kan resulteren in grote regendruppels, soms
ook in hagel en in de periode oktober - mei ook in korrelhagel en
(korrel)sneeuw. Het
type neerslag hangt af van de hoogte van het vorstniveau dat tijdens
een bui 500 tot 1000 voet (150-300 meter) kan zakken. Met een 0
gradenniveau van 1000 voet of minder valt er meestal sneeuw. Ligt het 0
gradenniveau voor en na de bui op 1500 tot 2000 voet dan is er een
reële kans op smeltende sneeuw.
Zeker
tijdens de zomermaanden kan er in een buienwolk een zeer sterke
stijgstroom optreden, zodat de wolk zich snel in verticale richting
ontwikkelt. Dit gaat niet regelmatig, zodat in de buienwolk
luchtwervelingen, of turbulentie kan ontstaan. Neerslagelementen worden
als het ware met geweld door de wolk gestuurd, vallen, komen elders
weer in een stijgstroom terecht, worden weer omhoog gevoerd, worden
zwaarder, vallen en kunnen op deze manier steeds groter worden. Op deze
manier onstaat hagel, waarbij zich in zomerse onweersbuien grote stenen
kunnen wormen. Ook kan onweer voorkomen. Als de hagelstenen zo zwaar
zijn dat ze niet meer omhoog gevoerd kunnen worden, vallen ze. Tijdens
hun val smelten ze deels, waarbij de omringende lucht sterk kan
afkoelen, mede als gevolg van vallende regen en/of smeltende sneeuw.
Aan de voorzijde van de bui, waar juist sterke stijgstromen optreden,
waardoor de luchtdruk aan de grond daalt, kan de koude lucht, met de
neerslag met geweld het aardoppervlak bereiken. Dit zien we dan in de
vorm van zoms zeer zware windstoten. In de nabijheid van een bui kunnen
we soms op enige afstand van de bui al een kille wind voelen, als we de
zogenoemde "outflow", uitstroom van koude lucht, waarnemen.
Tijdens een zomerse onweersbui kan aldus de temperatuur wel met 10
graden in slechts enkele minuten dalen.
We
zien het naderen van de neerslag aan een loodgrijze, egale lucht,
terwijl er boven de waarnemer vaak een onrustige kolkende lucht te zien
is, waarbij bij zware buien wel mammatus- of buidelwolken worden gezien.
De
neerslag uit buien is gewoonlijk slechts van korte duur en wisselend
van intensiteit. Bij gelijkmatige neerslag spreekt men niet van buien.
De intensiteit kan enorm hoog zijn. In Nederland zijn gedurende enkele
minuten neerslagintensiteiten van 4 mm/minuut gemeten, terwijl tijdens
zomerse onweersbuien een intensiteit van 1,5 tot 2,5 mm per minuut
gedurende vijf tot 10 minuten niet uitzonderlijk is. De zomerse buien
kunnen in Nederland reiken tot circa 12 km, de hoogte van de tropopauze
boven ons land. Soms steken ze er wat doorheen, zodat in uitzonderlijke
gevallen wel buientoppen tot 14 km zijn gemeten. Deze wolkentorens
kunnen enorme neerslaghoeveelheden produceren, waarbij soms meer dan
100 mm water naar beneden kan komen en hagelstenen tot vier of vijf
centimeter. Begin juni 1998 werden op de noordwestelijke Veluwe (in de
omgeving van 't Harde en Nunspeet) hagelstenen tot 8,9 cm in doorsnede
waargenomen.
Vaak houdt de regen tijdens buien even plotseling op
als ze begon, al zal veel buienneerslag vrij geleidelijk in intensiteit
afnemen. Vaak gaat dan ook al snel weer de zon schijnen. Heel af en toe
is de begrenzing van de neerslag zo scherp dat deze precies over een
straat loopt. Ook kan het op een plek droog blijven, terwijl het een
paar kilometer verderop pijpenstelen regent en er tientallen
millimeters neerslag kan neerkomen.
Zo
kunnen buien zich ontwikkelen, zo sterven buien ook uit. Dit gebeurt,
zodra niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan voor ontwikkeling van
buien, met name wanneer de voedingsstroom van warme opstijgende lucht
stagneert. Dit is het geval wanneer als gevolg van de
dagelijkse
gang de temperatuur 's avonds aan het aardoppervlak daalt. Vlak boven
de grond vormt zich dan een grondinversie, een laagje stabiele lucht.
Aan zee koelt het in de winter minder snel af dan in het binnenland,
zodat de buienactiviteit in het binnenland verdwijnt, terwijl deze aan
zee gewoon doorgaat. Bekend zijn de soms tamelijk actieve onweersbuien
aan zee, die soms tot ver in het binnenland met hun weerlicht zichtbaar
zijn. Op de foto links zien we een laatste bui van de dag, die wegtrekt
en al snel zal zijn verdwenen. Het zal opklaren. Let op de felblauwe
kleur van de hemel.
In het voorjaar zien we juist dat buien
vooral boven het binnenland ontstaan. Boven het nog koude zeewater is
de lucht koud, die echter dankzij de al krachtiger wordende
zonnestraling boven het aardoppervlak wordt aangewarmd. Aldus kan de
lucht ontstabiel worden, waardoor de buienvorming op gang kan komen.
Maar
ook kan de bovenlucht stabiliseren, doordat er in de hogere luchtlagen
warmere lucht wordt geadvecteerd( toestroomt). Dit zien we bijvoorbeeld
bij de nadering van het warmtefront van een depressie, waarvan de
frontale zone op grote hoogte ver vooruit loopt op het front aan het
aardoppervlak. Een buiig weertype zal, met het binnenkomen van de
hogere en middelbare bewolking van het warmtefront, overgaan in een
tijdelijk droog en bewolkt weertype. Soms kan de onderkoelde en/of
deels verijsde top van een flinke cumuluswolk in contact komen met het
ijs van de opdringende hogere warmtefrontbewolking. In bepaalde
gevallen kan de wolk dan toch nog neerslag gaan brengen. We noemen dit
verschijnsel inzaaiing, omdat er op deze wijze ijs in de onderkoelde
wolk wordt "gezaaid".
Deze
buien spreken vaak vooral weeramateurs tot de verbeelding, omdat ze
soms garant zijn voor een pak sneeuw. Verkeersdeelnemers zijn er vaak
minder blij mee, omdat ze plotselinge gladheid kunnen veroorzaken.
Winterse buien zijn buien, die naast regen, ook (korrel)hagel en sneeuw
kunnen brengen. Vaak valt er tijdens zo'n winterse bui een combinatie
van deze neerslagvormen. Hagelstenen zijn vaak kleiner dan 0,5 cm.
Boven deze maat spreken we van hagel, daar beneden van korrelhagel. De
buitenkant bestaat uit ijs. Ook zien we wel korrelsneeuw, zachte
bolletjes, die we wat zien opspringen. Deze laatste neerslagvorm valt
bij temperaturen rond het vriespunt. Omdat de temperatuur in de zomer
tijdens een bui vaak sterk daalt, heerst de misvatting dat een winterse
bui, die bij aanvang regen brengt, wellicht spoedigr een pak sneeuw zal
afleveren. De werkelijkheid is echter anders ....Vlak voordat de bui de
waarnemer bereikt heeft, is de lucht gewoonlijk relatief droog en heeft
een temperatuur van pakweg 5 graden. De natteboltemperatuur van deze
lucht is dan vaak rond of net beneden het vriespunt. Dit is
belangrijk,want dat betekent niet anders dan dat de vallende neerslag
niet of nauwelijks smelt. Het zal in dit geval dan ook gaan sneeuwen of
hagelen. Niettemin veroorzaakt de vallende neerslag in de bui een
stijging van de natteboltemperatuur, die al snel boven nul zal uit
komen. Helaas voor de sneeuwliefhebbers: De sneeuw gaat al spoedig over
in regen en de veelbelovende sneeuwbui gaat over in een oer-Hollandse
regenbui. Als de neerslagintensiteit groot genoeg blijft kan de
neerslag wel weer (deels) overgaan in (natte) sneeuw.
Sneeuwvlokken
kunnen we zien als de temperatuur tijdens buiig weer hooguit 6 graden
is. Korrelhagel zien we als de temperatuur hooguit 10 tot 13 graden is.
In het voorjaar, als er met noordenwinden zeer droge arctische lucht
over ons land uit stroomt, kan het wel sneeuwen bij 8 graden maar deze
smelt op de ondergrond al snel weg. Dit soort buien trekken vaak snel
over en produceren vaak maar weinig neerslag. Winterse buien met sneeuw
komen in ons land voor vanaf half oktober tot soms begin mei. Sneeuw,
die (even) blijft liggen valt meestal tussen november en half april.
De
sneeuw, die uit winterse buien valt, bestaat vaak uit grote vlokken,
omdat ze gewoonlijk bij temperaturen van boven nul valt. De sneeuw
bestaat voor een deel uit water, zodat men dan eigenlijk spreekt van
natte sneeuw, of zoals de Belgen eigenlijk beter verwoorden: smeltende
sneeuw.
Foto:
Soms zijn er zoveel buien, dat ze de neiging vormen om zich samen te
voegen, of te clusteren. Het kan dan soms urenlang regenen of sneeuwen.
Maar soms levert dat ook mooie "doorkijkjes" op.
Dit
verschijnsel zien we in Nederland soms ook. Het is een lagedrukgebied,
afkomstig van hoge breedten. Vaak ontstaan ze langs de Noorse kust. Het
lagedrukgebied bevat geen fronten. Met dit systeem hangen vaak zeer
felle (sneeuw)buien samen, die soms tientallen centimeters sneeuw
kunnen afleveren. In bijna elke winter komt er wel eentje in ons land
voor, al levert dat niet altijd een dik pak sneeuw op. Soms komt het
ook tot onweer, al beperkt zich dat tijdens winterse buien vaak tot een
of enkele donderslagen. Tegenwoordig pikken we dankzij de moderne
computers en weersatellieten deze systemen vroeg genoeg op , voorheen
werden we door deze Polar Lows soms onaangenaam verrast als op de
Waddeneilanden de eerst onverwachte sneeuwbuien vielen.